De hel op aarde
Een bezoek aan Potosí is niet compleet zonder een bezoek aan één van de mijnen van de stad. Al bij voorbaat hebben we er een vreemd gevoel bij. Sowieso vinden we het niet altijd leuk om een tour te nemen en bovendien hebben we al van meerdere mensen gehoord dat we heftige omstandigheden zullen aantreffen in de mijn. Toch staan we op zaterdagochtend om 8 uur voor de deur van één van de touroperators om naar de mijnen te gaan.
Potosí was eens (zo’n 500 jaar geleden) de rijkste stad ter wereld. Uit de Cerro Rico, de grote berg die je vanaf ieder punt in de stad kunt zien, werd toen puur zilver gewonnen. Tegenwoordig is de stad veel minder rijk, maar wordt er nog steeds zilver gevonden in de berg.
Met een busje worden we naar een punt hoger in de stad gebracht, waar we beschermende kleren, laarzen, een helm en een licht krijgen. De groep wordt onderverdeeld in drie kleinere groepen. Wij zijn samen met Markus en Dave en twee Nieuw-Zeelanders de ‘Baby Lama’s’…
In onze ‘mijnerspakken’ vertrekken we naar de mijnersmarkt, een markt hoog in de stad waar de mijnwerkers hun dynamiet, cocabladeren en frisdrank kopen en waar ze voor ze de mijn in gaan een stevig ontbijt nuttigen (tot wel 4 gangen!). Het is de bedoeling dat we wat cadeaus voor de mijnwerkers meenemen om uit te delen als we in de mijn zijn, en dus kopen we dynamiet, cola en cocabladeren.
Na een bezoekje aan een bedrijf waar de steen van de mineralen en het zilver wordt gescheiden tuffen we in ons busje de berg op en lopen naar het mijnschacht van de Candelaria-mijn. Dit is één van de 400 mijningangen die tegenwoordig nog bestaan in de Cerro Rico.
Het is een diep, donker, klein gat en het voelt heel tegennatuurlijk om naar binnen te gaan. De eerste meters schacht zijn nog redelijk ruim en we kunnen nog rechtop lopen. Na een paar minuten lopen komen we bij het mijnmuseum, waar we ‘Tio’, de duivel, zien. Ook leren we over de geschiedenis van de mijn en de samenstelling van de steen die gewonnen wordt.
Als we verder gaan, wordt de mijnschacht al snel smaller en moeten we afdalen om bij de tweede laag te komen. Daar ontmoeten we een mijnwerker. Hij werkt al bijna 40 jaar in de mijn en doet het nu iets rustiger aan – hij wacht tot zijn zoons de karretjes met steen komen brengen en helpt ze dan de stenen klaar te leggen voor verder transport.
Zelf moeten we ook de handen nog uit de mouwen steken…
Als we verder gaan, moeten we door een heel kleine schacht, kruipend op handen en voeten, verder omlaag. Het is inmiddels erg warm en de giftige stof die overal hangt begint op onze longen en kelen te werken. Gelukkig is er in de derde laag weer wat meer zuurstof en kunnen we weer rechtop staan. We rusten even uit en worden dan opgeschrikt door een doffe knal. Een mijnwerker heeft in een laag onder ons dynamiet laten ontploffen en komt naar ons toe. We mogen even in de schact kijken en maken een praatje met de mijnwerker.
- JW & Gu as miners
Before entering the mine
- On the miners market
On the slopes of Cerro Rico
- Separating silver from garbage
Outside the mines
- The entrance of the Candelaria mine
It looks very dark and it's scarifying to go in there
- Tío, the devil
In the mine museum
- An old miner
Chewing coca leaves
- Transporting the stones
As electricity is too expensive, all carts are moved by manpower
- The real experience
It really is a terrible job!
- One of the shafts
High enough to walk straight up (as opposed to some other shafts)
- JW as a miner
Playing with dynamite
- Gu as a miner
"I am not made for this!!"
Dan is het tijd om terug te gaan. Af en toe moeten we aan de kant voor voorbijrijdende mijnkarretjes – allemaal aangeduwd door mankracht omdat elektriciteit te duur is. Op de terugweg worden we geconfronteerd met de harde werkelijkheid van het mijnwerkersbestaan als we een jongen van nog geen 14 jaar ontmoeten. Hij is verlegen en het lijkt alsof hij zich niet zo op zijn gemak voelt met de toeristen (logisch…). Wij realiseren ons eenstemeer dat we geluk hebben dat we niet zijn geboren in een gezin waarin vaststaat dat de jongens vanaf hun 14e jaar 10 uur per dag in de mijn gaan werken. En dat voor 15 jaar lang… Daarna zijn hun longen meestal zo kapot van alle giftige stoffen dat ze ofwel ziek worden ofwel sterven…
Toch zijn de wat oudere mijnwerkers die we hebben gezien en gesproken ontzettend trots op hun werk. De mijn zien ze als hun tweede thuis en voor hun is het logisch om in de mijnen te werken. Het is een familiekwestie die van vader op zoon wordt doorgegeven. Veel mijnwerkers zijn vrolijk en hebben hart voor hun werk.
De mannen werken voor zichzelf, en voor hun groep, maar voor niemand anders. Ze bepalen dus ook zelf hoeveel en wanneer ze werken, sommige groepen werken bijna 24 uur per dag. Het geld dat ze verdienen met de stenen die ze doorverkopen (en die verder worden verwerkt en geexporteerd) is op een deel belasting na, voor hen. Overigens is maar 15% van de stenen die uit de mijn worden gehaald mineraal of zilver, de rest is ‘afval’.
Aan het eind van de tour konden we zelf ook nog dynamiet laten ontploffen. Een grappige ervaring, maar niet echt heel spectaculair…
Geplaatst door JW & Gu op 1/06/08 om 21:17










